Waarom gunnen ‘we’ de FNV geen toekomst?

Posted on: november 19th, 2019 by bosswijnhoven

Als de vakbond slinkt, duikt iedereen er bovenop. Werk je bij de FNV, dan heb je de neiging om je te verdedigen. Zo van: “dat we het toch goed doen” en dat we het “goed bedoelen” en dat het “behartigen van de belangen van leden van alle tijden is”. Maar dat belet niet dat je de bulldozer van de buitenwereld over je heen krijgt. “Moeten ze zich niet opheffen?” “Wie zit nog op een vakbond te wachten?” Alsof ‘iedereen’ ervan geniet – of in ieder geval accepteert – dat de vakbeweging in de hoek zit waar de klappen vallen.

Vooral een lager percentage
In de jaren tachtig van de vorige eeuw hunkerde de FNV naar het getal van één miljoen leden. Daar gingen ze ver overheen, om vervolgens nu weer te slinken. In aantal leden, maar vooral in percentage van de bevolking dat lid is. Want de werkende bevolking groeit.

Boost tot jaren tachtig
Maar waarom slinkt de vakbeweging? Daar zit van alles achter. Om te beginnen een ‘evolutie’. De vakbeweging werd opgericht vanuit noodzaak en behoefte. In de eerste fase (1900) is het bloed zweet en tranen om een positie te krijgen. Oorlog en crisissen zorgen ervoor dat vakbondsleden voelen en zien waarvoor ze moeten vechten. Dreiging van buiten maakt de organisatie misschien niet groter maar wel sterker en meer vastberaden. De tijd van opbouw na de Tweede Oorlog helpt om na te denken over wat er bereikt moet worden. De visie groeit. ‘Gewone mensen’ moeten en willen meedoen en meeprofiteren uit de ruif die groeit. Daarvoor heb je sterke organisaties en mensen nodig. Dat gaat door tot de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de flowerpower-tijd groeit een beetje de weerzin tegen de georganiseerde clubs. De economische ‘crisis’ begin jaren tachtig en de groei die erop volgt, zorgen voor de ‘boost’ die de vakbeweging naar de top van aanzien en ledental brengt.

Het veroverde is vanzelfsprekend
Sindsdien is het overleven en sappelen. In aanzien. Geld wordt belangrijker. Het woord sociaaleconomisch verdwijnt. Financieel-economisch (de beurs en winst van bedrijven) voert de boventoon. Belang en invloed van de werkende mens raakt onderbelicht. En de wereld verandert. Het zware werk in traditionele beroepen verliest het in aandacht van alle nieuwe dingen. De nieuwe mensen. De nieuwe economie. Computers. IT. Verzekeringen en banken. Internet. Niet Nederland, maar de wereld als platform. Daarin raakt de aandacht en positie van vakbonden in het nauw. In de levenscyclus is van alles bereikt. En er komt vermoeidheid voor in de plaats. Net als bij de democratie. Als je die morgen afschaft, zouden mensen uit hun bol gaan. Maar het is moeilijk waarden te herkennen als ze zo vanzelfsprekend zijn en geen inspanning meer lijken nodig te hebben. Daar kun je wat van vinden, maar zo blijkt het te werken. Mensen die al jaren lid zijn, blijven dat nog wel. Maar jongeren haken niet echt aan. De gemiddelde leeftijd van het vakbondslid stijgt. Ieder jaar weer.

Klagen over leiding is van alle tijden
En er is nog meer. De hiërarchie in de vakbeweging, met de FNV aan kop, is altijd al een boeiend onderwerp geweest. Klagen over de leiding is van alle tijden. Nu vinden ‘wij’ dat er geen grote leiders meer zijn. Kok, Schelling, Bode en Groenevelt waren namen die beklijfden. De nieuwe namen worden in hun schaduw neerbuigend beschouwd. Dat lijkt ertoe te doen. Maar leven we eigenlijk al lang niet meer in een tijd van ‘grote leiders.’ Passen die gewoon niet meer? Willen en kunnen we allemaal zelf niet wat meer te vertellen hebben? Vaststaat wel dat er iets veranderd is aan de mensen  die in de vakbond werken. Tot de jaren tachtig waren het voor het grootste deel idealisten. Maar toen stonden ze er financieel ook niet slecht op (kan ik uit eigen ervaring betogen). Je kon als vakbondsmedewerker een behoorlijk salaris verdienen, waarmee je je kon meten met andere mensen. Ook als je in de top zat.

HR-manager verdient twee keer zoveel
Maar doordat Nederland in de jaren tachtig onderdeel werd van de grote wereld, waar grote salarissen bij hoorden, veranderden die verhoudingen. Was je vroeger spekkoper als je in een bedrijf 100.000 gulden kon verdienen, nu ben je een lachertje als je op een sub-niveau in een groot bedrijf zo’n bedrag in euro’s verdient. Vakbondsbestuurders met grote en brede kwaliteiten komen nooit verder dan misschien driekwart van dat bedrag. Als je een topper bent, moet je voor het geld niet bij de vakbeweging gaan werken. Dat roomt de kwaliteit van de mensen die bij de vakbeweging werken af. Als startende vakbondsbestuurder mag je wel op hoog niveau onderhandelen. Maar de HR-manager aan de overkant verdient minstens twee keer zoveel. Dus moet je echt gemotiveerd zijn om voor een bond te kiezen. En dat is ook nog een organisatie die er niet best voorstaat in ontwikkeling en profiel. Dat levert een ander soort mensen op.

Eigenwijzen laten zich niet leiden
Dan wordt beweerd dat er geen leiding is in de bond. Misschien is het erger dan ooit. Maar het is altijd al een probleem geweest. Verklaarbaar. Misschien zelfs wel terecht. De bestuurders die bij een bond werken, moeten eigenzinnig zijn en zelfstandig hun werk kunnen doen. Anders kun je niet onderhandelen met grote bedrijven. Als je tegelijkertijd verwacht dat diezelfde mensen als vanzelfsprekend gaan luisteren naar degenen die in de bond boven hen gesteld zijn, heb je meestal mis. Met die ‘werkelijkheid’ moeten ze het in de vakbeweging eigenlijk altijd al doen.

Parlement gedraagt zich als werkgever
En dan is er nog de interne democratie in de FNV. Het ideaalbeeld is verwezenlijkt. De leden zijn de bond. Het parlement van de bond is echt de baas. Dat zijn actieve leden, die de bestuurders vertellen wat ze moeten doen. En daar gaat het mis. Actieve leden zijn zeer betrokken bij de bond. Maar ze zijn geen professionals in de polder. Dat zijn de bestuurders, die ervoor opgeleid zijn. Maar in het nieuwe parlement mogen de actieve leden zich gedragen als ‘opdrachtgever’. Nee, sterker nog: als ‘werkgever’, die de dagelijkse leiding heeft.

Vakbond is smeerolie samenleving
Die actieve leden zijn ervan overtuigd dat zij weten wat er moet gebeuren. Het is duidelijk dat zij weten wat zij willen. Maar in de afgelopen periode bleek dat ze te vaak van opvatting zijn dat zij de zaak kunnen voorschrijven. Dat er dus niks anders uit onderhandelingen kan komen dan zij bedacht hebben. Dat een poldermodel ‘halen en brengen’ is, boeit ze niet. Nog sterker: sommigen van hen (of meerdere?) zijn van opvatting dat het poldermodel niet deugt. Dat je moet en kunt halen wat je bedenkt nodig te hebben. En dat je kunt dwingen. Ze ontkennen de rol van de vakbeweging als smeerolie van de samenleving. Dat is de vakbeweging die bestaat omdat werkgevers en werknemers er belang bij hebben. Oneigenlijke concurrentie tussen bedrijven wordt beperkt of voorkomen. En de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van werknemers worden almaar geüpdatet. Zonder dat het machinewerk daarvoor (per se) stil hoeft te liggen.

Op platforms is iedereen tegen
De actieve leden zijn voor een deel de weg kwijtgeraakt. In een discussie in een vakbondsgroep op Facebook verklaarde een van de actieve leden dat hij ervan overtuigd was, dat zijn bestuurders met voorbedachten rade de belangen van de leden verkwanselden. Dan heb je wel een probleem in de democratische opbouw van je organisatie. Bizar is ook hoe het democratische proces is vormgegeven. Actieve leden spreken zich uit over de uitkomst van onderhandelingen. En ze verwerpen in de praktijk meer dan eens het resultaat, omdat het minder is dan waarmee ze de onderhandelaars op pad hebben gestuurd. Vervolgens volgt een enquête onder alle leden. De bestuurders weten de uitkomst al: de leden lopen ermee weg. Die zijn helemaal tevreden. Omdat zij zien dat er voor hen vooruitgang is geboekt. En die kaderleden dan? Twijfelen die niet aan hun vertegenwoordigende rol? Sommigen wel. Maar anderen stellen vast dat op hun digitale platforms iedereen het te weinig vond. Ja: dat zijn de platforms met actieve leden en querulanten.

Kleiner en jonger?
De vakbond wil per se groot blijven, maar wordt ‘geregeerd’ door mensen die steeds ouder worden. Inmiddels gemiddeld boven de vijftig. Misschien is er een uitgang naar een gezonde toekomst. Tweeledig zou die kunnen zijn. Meer betekenen voor mensen die lid zijn. Dat betekent misschien ook ondersteuning als het over het beroep zelf gaat en niet alleen over arbeidsvoorwaarden. En de bond zou zich moeten richten op jongeren. Bij dingen die hij doet er ‘altijd’ rekening mee houden dat de gemiddelde leeftijd van de leden naar beneden moet. Daarmee zal hij een aantal mensen die nu lid zijn van zich vervreemden, maar misschien wel uitstraling krijgen naar mensen die jonger zijn. Dan blijven er misschien maar 600.000 leden over, maar heeft de organisatie wel een toekomst. Vaststaat in ieder geval dat een vakbond veel minder interessant is voor de beter gesitueerden die voor zichzelf kunnen zorgen en voor zichzelf willen onderhandelen.

Bond is geen politieke beweging
De vakbond is geen politieke beweging, die wil bewijzen dat werkgevers dikke patsers zijn die niet deugen. De bond wil gewoon belangen van mensen behartigen. Resultaten boeken waardoor ‘gewone’ mensen het iets beter krijgen.

Dreiging is al genoeg
Onze samenleving lijkt nog altijd belang te hebben bij een organisatie als de FNV, bij vakbonden. Ja, die zijn er vooral voor mensen die zichzelf niet kunnen helpen. Vooral mensen uit traditionele beroepen. De vakbond helpt werknemers aan betere arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. En de economie aan minder stakingsdagen (wereldwijd ongeveer de minste). De vakbond voorkomt ook dat elk bedrijf individueel afspraken moet maken en dat er concurrentie op arbeidsvoorwaarden plaatsvindt. Daarmee draagt de bond nog altijd bij aan een gezonde economie. Aan een succesvol model, dat ‘het poldermodel’ is gedoopt. Waar gestaakt wordt als een positie wordt afgedwongen. Maar waar via onderhandelingen goede resultaten worden geboekt, omdat iedereen weet dat als het erop aankomt het ook afgedwongen kan worden. En dat die dreiging al genoeg is.

Voor wie zichzelf niet kan helpen
De vakbond heeft problemen. In omvang. In interne democratie. Allemaal waar. Daar kunnen ze prima steun bij gebruiken. In het belang van een heleboel mensen. Vooral van degenen die zichzelf niet kunnen helpen.

Geert Wijnhoven

 

Comments are closed.